Middeleeuwen

Vroeg-christelijke wereld

Vanaf de laat-Romeinse tijd ontwikkelt het Christendom zich op verschillende plaatsen in het Romeinse Rijk. Dit kennisdomein heeft vrijwel geheel betrekking op de archeologie en cultuurgeschiedenis van de Koptische cultuur in Egypte (ca. 300 – ca. 1000 n. Chr.) dat sterk is vertegenwoordigd in het Allard Pierson Museum. Hiertoe rekenen we ook de laat-Romeinse en vroeg-middeleeuwese collecties o.a. uit Rome en Syrië.

Vroegchristelijke collecties

Het zwaartepunt in deze vroegchristelijke collectie wordt gevormd door Koptische collecties en dan met name textilia. Dit materiaal van in hoofdzaak linnen en wol, doorgaans te vergankelijk om te blijven bestaan, is door de bijzondere omstandigheden van de droge Egyptische omgeving vaak goed bewaard gebleven. Het betreft meestal (delen van) kleding, afkomstig uit graven. Het Allard Pierson Museum beheert nu de grootste Nederlandse collectie op dit gebied, verrijkt door de collecties van het Gemeentemuseum in Den Haag en het Textielmuseum in Tilburg.

Koptisch

Het woord koptisch is afgeleid van het Griekse woord Aiguptios. Dit gaat weer terug op het Oudegyptische Hoet-Ka-Ptah, de tempel van de Ka van Ptah, de naam voor de stad Memphis. De Arabieren maakten van Aiguptios qibti, en dit werd kopt. Koptisch betekent dus eigenlijk niets anders dan Egyptisch. In de loop der tijden heeft het woord evenwel specifiek de betekenis gekregen van ‘christelijk Egyptisch’, ter onderscheid van de islamitische meerderheid in Egypte. Hoewel nog tot enige tijd na de Arabische verovering van het land in 640 n.Chr. de christenen in de meerderheid gebleven zijn, bestaat tegenwoordig nog maar zo’n 10 tot 15% van de Egyptenaren uit koptische christenen. Zij vormen daarmee nog steeds de grootste christelijke gemeente in het Midden-Oosten. In Ethiopië is de christelijke kerk, waartoe ongeveer de helft van de bevolking behoort, nog niet eens zo lang geleden onafhankelijk geworden van de koptische kerk in Egypte, met een eigen patriarch. Hoewel dus sterk verwant, dienen beide kerken tegenwoordig apart van elkaar gezien te worden.

Romeinse en Byzantijnse overheersing

Vanaf ongeveer het jaar 100 waren er christenen in Egypte, met name in Alexandrië. De apostel Marcus zou volgens de traditie zo’n vijftig jaar eerder hier het Evangelie voor het eerst gebracht hebben. De eerste bekeerlingen waren onder  de Grieken en joden (een grote groep) in die stad te vinden; pas iets later kreeg de nieuwe religie vat op de autochtone Egyptenaren. Overeenkomsten tussen het christendom en de Egyptische religie – bijvoorbeeld het idee van het laatste oordeel, de herrijzenis van Jezus als parallel met de wederopstanding van Osiris, de drie-eenheid van Osiris, Isis en Horus, en het beeld van Maria met het kind Jezus als reflectie van Isis met het kind Horus – maakten het voor hen herkenbaar. De cultus van Isis is overigens in het hele Romeinse Rijk een tijd lang een geduchte concurrent van het christendom geweest. Oud-Egyptische motieven bleven nog lang voortbestaan.

Overgang naar Christendom

De overgang naar het christendom ging niet zonder problemen. Onder de grote christenvervolger keizer Diocletianus stierven velen in Egypte en de rest van het rijk de marteldood, en nog steeds begint de koptische jaartelling bij 284, het begin van de regering van deze keizer, en niet met de geboorte van Christus. De maandnamen die ze hanteren zijn daarentegen direct afgeleid uit de Oudegyptische taal. Al in 212 was aan alle vrije mannen binnen het Romeinse Rijk het Romeinse burgerschap verleend, met alle rechten die daarbij hoorden, zoals actief en passief kiesrecht. Keizer Constantinus I (Constantijn de Grote) bekeerde zich tot het christendom en verleende de christenen godsdienstvrijheid in het Edict van Milaan van 313, samen met zijn mede-keizer Licinius. Toen keizer Julianus, bijgenaamd de Afvallige, in 361 aan de macht kwam, probeerde hij de klok nog één keer terug te draaien door de heidense religies weer te bevoordelen, maar door zijn dood op het slagveld in 363 kwam daar uiteindelijk niets van terecht. Vanaf dat moment werden steeds meer mensen christen en aan het einde van de 4de eeuw n.Chr. was dit meer dan 80% van de bevolking. De rollen waren nu omgekeerd voor het heidendom, en Egypte werd christelijk.

 

Kloosters en heremieten

Van het begin af aan hadden veel christenen in Egypte een sterke neiging zich als kluizenaars of heremieten af te zonderen en in eenzaamheid boete te doen en te bidden. Vaak trokken ze zich terug in grotten in de woestijn, of ook in oude rotsgraven, waaraan dat hier en daar nog te zien is. Toch vormden zich geleidelijk weer gemeenschappen, doordat soms een bijzonder vroom of wijs geachte heremiet volgelingen om zich heen verzamelde. Beroemde namen uit deze beginperiode zijn Antonius van Egypte en Pachomius. Aan Antonius wordt wel het bedenken van het concept van het kloosterleven met zijn specifieke leefregels toegeschreven. In een enkel geval kan men zelfs van een kloosterstad spreken, zoals bij het populaire bedevaartsoord van de heilige Menas bij Alexandrië – de Menasflesjes met heilig water uit de bron daar getuigen ervan –, of bij Kellia aan de rand van de westelijke Nijldelta. Op het hoogtepunt in de 6de eeuw telde Egypte honderden kloosters. Heiligen en relikwieën speelden er een grote rol.

Gepubliceerd door  Allard Pierson Museum

5 februari 2014