Nabije Oosten

In het gebied tussen de Egeïsche zee en Iran komt ongeveer 9000 jaar geleden voor het eerst de landbouw tot bloei. De eerste steden ontstaan. Met hun spijkerschrift leggen de beschavingen van dit gebied duizenden jaren lang hun administratie, wetten, diplomatieke briefwisselingen, poëzie en godsdienstige voorschriften vast. Veel van wat wij ‘beschaving’ noemen hebben wij aan dit gebied te danken. Het Allard Pierson Museum bezit een rijke collectie voorwerpen van velerlei culturen uit dit gebied.

Menselijke figuurtjes, Selenkahiye, Syrië, 2400-1900 v. Chr., Collectie Allard Pierson Museum (APM 10322)

Vondsten uit een nederzetting in Selenkahiye, Syrië, 1400-1900 v.Chr. (APM 10320 en 10322)

Nabije Oostenzaal tijdelijk gesloten

Momenteel zijn we bezig met de herinrichting van onze Griekse afdeling en de Nabije Oostenzaal. Hierdoor zijn de Griekse afdeling en de Nabije Oostenzaal tijdelijk niet te bezichtigen. Onze excuses voor het ongemak.

Prehistorie

In de ‘vruchtbare sikkel’, een gebied tussen het huidige Israël, Irak en Turkije, wordt voor het eerst graan verbouwd. Dieren die in deze streek in het wild voorkomen, zoals schapen, koeien en geiten, worden gedomesticeerd. De eerste sporen van deze ontwikkeling gaan terug tot ongeveer 10.000 v.Chr.

Rond 7000 v.Chr. ontstaan de eerste landbouwbeschavingen. In plaats van rond te trekken, gaan mensen zich in kleine permanente nederzettingen vestigen. Hun werktuigen maken zij van steen, hout en beenderen. Rond 6200 v.Chr. begint de productie van aardewerk. Kleine idolen, vaak vrouwenfiguren, geven aan dat de cultus van een vruchtbaarheidsgodin zeer belangrijk was. 

Sumer

De rivieren de Eufraat en de Tigris stromen door het huidige Irak. Een veelgebruikte naam voor dit gebied is Mesopotamië (Grieks voor ‘tussen de rivieren’). Dit vruchtbare gebied is de bakermat van de Sumerische beschaving. Hun nederzettingen groeien al snel uit tot echte steden. Grote tempelcomplexen domineren de stadsstaten. Er ontstaat een erfelijk koningschap en een gelaagde maatschappij. De stadsstaten zijn vaak met elkaar in oorlog, vooral om de verdeling van het schaarse water. Brons, een legering van koper en tin, doet waarschijnlijk zijn intrede vanaf ca. 3500 v.Chr.

Spijkerschrift 

Omstreeks 3200 v.Chr. vinden de Sumeriërs het spijkerschrift uit voor hun steeds veeleisender administratie. Met een rietstift (stylus) worden tekens in de natte klei gedrukt, die qua vorm op spijkers lijken, vandaar de naam spijkerschrift. Duizenden jaren lang, tot de eerste eeuw n. Chr. is dit schrift in vrijwel in heel het oude Nabije Oosten in omloop en het wordt gebruikt voor verschillende talen. Omdat klei een duurzaam materiaal is, zijn er tienduizenden spijkerschrifttabletten aan ons overgeleverd. Het spijkerschrift wordt niet alleen gebruikt voor administratie en contracten, maar ook voor  religieuze en literaire teksten (bijvoorbeeld het Gilgamesh-epos) en diplomatieke correspondentie. 

Akkad

Rond 2330 v.Chr. verovert koning Sargon de macht over het midden en zuiden van Mesopotamië en sticht een rijk met Akkad als hoofdstad. Hij verovert een groot deel van het Midden Oosten. De vorsten van dit Akkadische rijk laten zich als goden vereren. De taal van het rijk is het Akkadisch, een Semitische taal. Deze taal zal lange tijd als lingua franca in het gehele Nabije Oosten worden gebruikt, vergelijkbaar met het Engels in onze tijd. Kort na 2200 v.Chr. verzwakt het rijk en beleven de Sumerische stadsstaatjes een nieuwe bloei. De koningen van deze Neo-Sumerische periode meten zich ook een goddelijke status aan. Tot deze periode behoren de bekende ziqqurrats, traptempels van soms wel zeven verdiepingen hoog. Ook steken de Sumeriërs veel energie in irrigatiestelsels, om het verzilten van het water tegen te gaan.

Assyrië en Babylonië

Het Oud-Assyrische rijk, met de stad Assur als centrum, ontwikkelt zich aan het begin van het 2e millennium tot een grootmacht. Het land ligt zeer gunstig voor handelsroutes. De Assyriërs exporteren tin en textiel, met name naar Anatolië en krijgen daar vooral zilver voor terug.  Van ca. 1500 en 1300 v.Chr. is noordelijk Mesopotamië het domein van het rijk van Mitanni. De taal van dit volk, de Hurrieten, is niet verwant aan de andere talen van het nabije oosten.

In het zuiden is het Neo-Sumerische rijk rond 2000 v.Chr. ten einde gekomen en wisselt de macht tussen diverse steden. Rond 1760 v.Chr. weet koning Hammurabi, bekend om zijn wetten, het gebied weer te verenigen onder de leiding van Babylon. Deze tot dan toe redelijk onbeduidende stad komt tot grote bloei.

Selenkahiye

Aan de Eufraat ligt Selenkahiye, een plaats die heeft bestaan van 2400 tot 1900 v. Chr. Tussen 1972 en 1975 heeft Professor Maurits van Loon met een team van de Universiteit van Amsterdam deze site opgegraven. Het betrof een noodopgraving: tegenwoordig is Selenkahiye verdwenen onder het water van het Tabqa stuwmeer. Als tegenprestatie zijn enkele honderden voorwerpen uit Selenkahiye in het Allard Pierson Museum terecht gekomen, waaronder een volledig graf.

Iran

De geschiedenis van Iran reikt even ver terug als die van Mesopotamië. Elam was millennia lang de grootmacht in zuid-Iran. In het noorden woonden vanaf het 2e millennium vermoedelijk de Indo-Europese stammen waar Meden, Perzen en Skythen uit voort zouden komen. Het gepolijste aardewerk, dat typerend is voor deze bevolkingsgroepen, vinden wij ook in de noord-Iraanse Amlash-cultuur (vroeg 1e millennium).

Anatolië

Anatolië, het huidige Turkije, dateren de eerste grote nederzettingen rond 7500 v. Chr. In de Late Bronstijd komt rond 1650 v. Chr. het Hettitische rijk op. De taal van dit rijk, het Hettitisch, is een Indo-Europese taal en onder meer verwant met het Latijn, Grieks en Nederlands. Gedurende een kleine 500 jaar, tot ca. 1180 v. Chr. vormt dit rijk een van de grootmachten van het oude Nabije Oosten. In 1275 v. Chr. staan de Hettieten tegenover de troepen van de grote farao Ramses II in de slag bij Kadesh. Na de val van het Hettitische rijk ontstaan in Anatolië de rijken van de Frygiërs en Lydiërs.

De Levant

Tussen het geweld van de grote staten komen aan de kust van de Levant vanaf het tweede millennium stadsstaten op. Vooral de Phoeniciërs en Israël/Juda spelen in de wereldgeschiedenis een grotere rol dan weerspiegeld wordt in hun politieke en militaire macht. Hun geschiedenis wordt getekend door een voortdurende worsteling met hun machtiger buren. In de eerste helft van het eerste millennium v.Chr. domineren Phoenicische schepen de handel op de Middellandse Zee en vanuit de stad Tyrus, gelegen aan de kust van het huidige Libanon, worden vele overzeese kolonies en handelsnederzettingen gesticht.

De ‘Dark Age’

Rond 1200 v.Chr. komt een aantal grote rijken ten val en breekt er een periode aan waarover we relatief weinig bronnen hebben. Traditioneel worden  de verschuivingen in het politieke landschap toegeschreven aan de invasie van de ‘zeevolkeren’, die onder meer worden genoemd in Egyptische verslagen. De identiteit van deze zeevolkeren is omstreden, en het lijkt erop dat lang niet al deze volken van overzee kwamen.

Het eerste millennium v.Chr.

Het neo-Assyrische rijk domineert met zijn agressieve expansie de eerste helft van het eerste millennium v.Chr. Met militaire macht en deportatie van bevolkingsgroepen onderwerpen zij de Aramese stammen die in deze tijd stadsstaatjes in de Levant en Syrië bewonen. 

In 612 v. Chr. maakt Babylon samen met de Meden uit Iran een einde aan de macht van Assyrië. Een kleine eeuw is Babylon de dominante macht in Mesopotamië en de Levant. De bijbelse Babylonische ballingschap is een gevolg van de verovering van Jeruzalem in 586 v.Chr.

De nieuwe grootmacht wordt echter het Perzische of Achaemenidische rijk. Koning Cyrus II verovert Babylonië in 539 v.Chr. en lijft heel Mesopotamië in. Het Rijk der Achaemeniden begint aan zijn enorme bloeiperiode, waaraan Alexander de Grote in 333-332 v. Chr. een einde maakt. 

Gepubliceerd door  Allard Pierson Museum

29 augustus 2016