Welkom bij de Romeinen

'Welkom bij de Romeinen' laat je kennismaken met de omvang en de diversiteit van het Romeinse Rijk. Van Egypte tot aan de Rijn in Nederland zijn Romeinse invloeden terug te vinden. Nieuwe inzichten tonen aan dat de Romeinen ook inheemse gebruiken mee terug naar Rome namen. Aan de hand van voorwerpen uit het Middellandse Zeegebied, Egypte en de Lage Landen zie je voorbeelden van de wisselwerking tussen deze drie regio’s.

Romeinse afdeling nog niet helemaal af

Sinds 9 juli is de Romeinse afdeling gesloten voor een herinrichting. Sinds12 september is de afdeling weer open, maar we zijn nog niet helemaal klaar. We gaan samen met het publiek de afdeling nog gebruiksvriendelijker maken. Het publiek mag aangeven wat zij graag zouden willen horen over de objecten. Doe mee, denk mee en maak mee! Zo maken we samen het museum van de toekomst.

Allard Pierson Museum, afdeling Romeinse wereld. Foto Monique Kooijmans

Koningstijd

Toen Romulus Rome stichtte in 753 v. Chr., zag het er niet naar uit dat de nederzetting op de Palatijn al snel te klein zou zijn. De spreekwoordelijke zeven heuvels aan de oevers van de Tiber groeiden uit tot de hoofdstad van een wereldrijk.

Rome ambieerde echter al spoedig machtsuitbreiding in Midden-Italië. Het onderging veel invloeden van de Etrusken en stond voor korte tijd zelfs onder Etruskische heerschappij. Volgens de traditie regeerden er tussen 753 en 510 v. Chr. zeven koningen. 

Bronzen kop, Romeins, late 3e eeuw, Collectie Allard Pierson Museum (APM 06287)

Bronzen portret, Klein Azië. Collectie Allard Pierson Museum, (APM06287).

Republiek

In 510 v. Chr. werd aan de alleenheerschappij van de laatste koning, de Etrusk Tarquinius Superbus, een einde gemaakt. Als nieuwe staatsvorm werd de republiek ingesteld. De leiders van de staat mochten hun ambt slechts één jaar uitoefenen en zij deden dit altijd in paren. Aanvankelijk werden deze leidinggevende figuren alleen uit de bovenlaag gekozen, maar later kreeg een veel grotere groep mannelijke burgers actief en passief kiesrecht. Men kon in het openbaar bestuur carrière maken volgens een voorgeschreven volgorde die liep van aediel (een soort wethouder van openbare werken) tot consul (een soort burgemeester). De Senaat (letterlijk 'raad van ouderen') hield toezicht op wetgeving en wetshandhaving en bracht adviezen uit. De legerleiding was in handen van officieren, consuls en praetoren. 

Keizertijd

Aan het eind van de Republiek begon het Romeinse bestuurssysteem scheuren te vertonen. Crassus, Pompeius en Caesar waren het niet eens met de aristocraten. De moord op Caesar in 44 v. Chr. resulteerde in een bloedige burgeroorlog. Uiteindelijk greep Caesars adoptiefzoon Octavianus de macht. Hij werd in 27 v. Chr. princeps (letterlijk 'eerste onder de burgers') en droeg de erenaam Augustus ('Verhevene'). Augustus handhaafde in principe de Republikeinse staatsinrichting, maar de macht lag van nu af bij de keizer. De twee eerste eeuwen van onze jaartelling laten een enorme expansie van macht en economie van het Romeinse Rijk zien. Uiteindelijk waren alle landen rond de Middellandse Zee onderdeel van het Imperium Romanum. De Rijn vormde de noordgrens van het rijk en de oostgrens lag in het huidige Irak. Egypte en Noord-Afrika produceerden graan voor de wereldstad Rome en overal werd Latijn en/of Grieks gesproken. De lokale bestuurssystemen bleven bestaan onder een overkoepelend Romeins bestuur. Uit alle delen van het Rijk trokken mensen naar Rome.

Marmeren jongen, Romeins, Collectie Allard Pierson Museum (APM 176)

Marmeren beeld ‘Herfst’, Italië. Collectie Allard Pierson Museum (APM 14.409).

Verdeling van het rijk

Na 200 na Chr. ontstonden interne problemen; de druk op de grenzen werd groter en verschillende groepen streden om autonomie. Aan het einde van de derde eeuw kon het Rijk niet langer als een eenheid functioneren. Het werd in vieren verdeeld en Rome verloor zijn centrale positie. In de vroege vierde eeuw werd Constantinopel, genoemd naar Keizer Constantijn, de hoofdstad van het Rijk. Het jaar 476 wordt officieel als het eind van het Westromeinse keizerrijk beschouwd.

Marmeren sarcofaag, Collectie Allard Pierson Museum (APM 186)

Marmeren beeld ‘Herfst’, Italië. Collectie Allard Pierson Museum (APM 14.409).

Architectuur

In de Republikeinse tijd ontstonden huizen met een centrale open ruimte (atrium). Vanaf de tweede eeuw werden deze soms uitgebreid met een peristylium (zuilengalerij). Atrium- en peristyliumhuizen zijn onder andere bekend uit Pompeii waar huizen zijn opgegraven uit de 3de eeuw v. Chr. tot de uitbarsting van de Vesuvius in 79 n. Chr. Wegens grondschaarste ontstonden in de eerste eeuw n. Chr. flatgebouwen (insulae) waarvan in Ostia voorbeelden bewaard zijn gebleven. De centrale plaats van Rome was het forum met belangrijke monumenten. De bakstenen woonhuizen stonden dicht om die monumenten heen en contrasteerden met de officiële gebouwen die uit marmer en travertijn waren opgetrokken. De façades waren versierd met beelden, zuilen en reliëfs. Kenmerkend voor de versiering van veel Romeinse gebouwen zijn wandschilderingen of vloermozaïeken. De schilderingen of fresco’s waarbij de verf in de nog natte stuclaag werd aangebracht hebben vaak hun kleuren goed behouden. 

Sculptuur

Voor Grieken en Romeinen waren portretten bijzonder. Niet iedereen mocht zich zomaar laten vereeuwigen. Vooraanstaande personen konden in het openbaar na hun dood worden geëerd met een standbeeld. Vanaf de 1ste eeuw v. Chr. lieten politici zich bij leven uitbeelden. De keizers lieten hun portretten over het hele rijk verspreiden. Vanaf de tijd van Augustus bepaalden de keizers en hun vrouwen ook de mode: haardracht en andere uiterlijke kenmerken werden nagebootst, Hierdoor zijn we in staat voorstellingen van burgers te dateren aan de hand van keizerportretten. Niet keizerlijke figuren kregen gaandeweg steeds meer mogelijkheden om zich in het openbaar te laten uitbeelden. Zeldzamer zijn bronzen beelden.

Glazen fles, Romeins, Collectie Allard Pierson Museum (APM 484)

Glazen wijnkan, Rijnland of Gallië. Collectie Allard Pierson Museum (APM 0484)

Drinkgerei en bestek

De mooiste stukken serviesgoed stammen uit graven want ook de doden moesten eten en drinken! Het valt op dat er zowel in graven als in huizen meer drink- dan eetgerei voorkomt. Platte schalen of borden dienden voor het serveren van spijzen. Meestal at men direct van de schaal en bracht men met een lepel of de hand de hapjes naar de mond. Aan bestek vindt men daarom verschillende soorten schep- en eetlepels en (heften van) messen, maar geen vorken. Naast het metaal, glas en aardewerk zullen, zeker in eenvoudigere milieus, houten nappen en borden zijn gebruikt. Daarvan is vrijwel niets bewaard gebleven. Glas veroverde in de 1ste eeuw na Chr. een plaats onder het drinkgerei. Het had veel voordelen: het was licht en sierlijk, kon gemakkelijk worden schoongehouden en hield geen smaak vast. Sommige glazen waren even kostbaar als de bekers in edelmetaal.

Gepubliceerd door  Allard Pierson Museum

27 september 2016