banner met de naam van het museum

Griekse wereld

Voortijd (ca. 3000-1100 v. Chr.)
Rond 3000 v. Chr. ging men in de Griekse wereld metaal bewerken en brak de Bronstijd aan. De nederzettingen werden groter en welvarender, onder meer doordat men olijven en druiven ging verbouwen. Op de Cycladen, de eilanden in het midden van de Aegeïsche zee, werden tussen 3000 en 2000 v. Chr. marmeren 'Cycladen-idolen' gemaakt. De meeste beeldjes stellen naakte vrouwen voor. Waarschijnlijk hadden ze te maken met vruchtbaarheid. Wij weten verder weinig af van deze beschaving.
Op Kreta ontstond rond 2000 v. Chr. de Minoïsche cultuur, genoemd naar de mythologische koning Minos van Knossos. Het middelpunt van de nederzettingen werd gevormd door paleizen met een labyrinth-achtige plattegrond. Uit de vondsten blijkt dat de stier een belangrijke rol speelde in religieuze rituelen. Hier moet men de oorsprong zoeken van de Griekse mythe van de Minotaurus, de stier-mens, die in Knossos in een doolhof huisde. Toen de paleizen rond 1450 v. Chr. verwoest werden, bleef alleen dat van Knossos gespaard. Uit vondsten blijkt dat de nieuwe bewoners Myceners waren die waren overgestoken van het vasteland.
De Grieks sprekende Myceners arriveerden rond 1550 v. Chr., genoemd naar hun belangrijkste nederzetting op het Griekse vasteland. Dit krijgshaftige volk bouwde enorme burchten met muren van dermate grote stenen dat de latere Grieken geloofden dat de legendarische Cyclopen ze gebouwd hadden. Lange tijd waren de Myceners een belangrijke macht in het oostelijke Middellandse-Zeegebied. Rond 1100 v. Chr. brak in Griekenland een periode van onrust en volksverhuizingen aan, de zogenaamde Duistere tijd. De oude Myceense cultuur verdween niet helemaal, maar vermengde zich met andere beschavingen. Na enkele eeuwen van onrust ontstond hieruit de Griekse beschaving.

Geometrische periode (ca. 900-700 v. Chr.)
De tijd tussen 900 en 700 v. Chr. wordt de Geometrische periode genoemd vanwege de geometrische versieringen op de voorwerpen. In de 8ste eeuw v. Chr. kwamen de zogenaamde stadstaten op (poleis). Er werd steeds meer handel gedreven en er ontstonden contacten met andere culturen. Van de Phoeniciërs werd het alfabetisch schrift overgenomen. Homerus moet in deze tijd de Ilias en Odyssee opgeschreven hebben. In 776 v. Chr. werden de Olympische Spelen voor het eerst gehouden.

Oriëntaliserende periode (ca. 700-600 v. Chr.)
Door de handelsbetrekkingen met het Nabije Oosten kwamen niet alleen oosterse voorwerpen, maar ook ambachtslieden naar Griekenland. Vele ideeën, technieken en voorstellingen die in het oosten en Egypte gangbaar waren, werden door de Grieken overgenomen en leidden tot de zogenaamde Oriëntaliserende periode.
Korinthe was in deze periode het belangrijkste centrum van handel en nijverheid. Het Korinthische aardewerk is in de gebieden rond de gehele Middellandse Zee in grote aantallen opgegraven. Pas in het tweede kwart van de 6de eeuw v. Chr. zou Athene deze rol overnemen.

Archaïsche periode (ca. 600-480 v. Chr.)
In de 6de eeuw v. Chr. voerde Solon verschillende hervormingen in Athene in. Deze vormden de basis van de latere Atheense demokratie, die in 510 ingesteld werd. Van cruciaal belang voor de westerse geschiedenis waren de Perzische Oorlogen. In de beroemde slag bij Marathon in 490 v. Chr. werden de Perzen door de Atheners verslagen. Maar de Perzen keerden tien jaar later terug en verwoestten Athene in 480 v. Chr. Daarna behaalden de Atheners een vernietigende overwinning op de Perzische vloot bij het eiland Salamis. En één jaar later werd de definitieve nederlaag aan de Perzen toegebracht.

Klassieke periode (ca. 480-323 v. Chr.)
Voor Griekenland en vooral Athene was de 5de eeuw een periode van ongeëvenaarde culturele bloei. Het was de tijd van de grote filosofen, tragedieschrijvers en historici. Ook op het gebied van de beeldende kunsten bereikte men een ongelofelijk niveau, dat eigenlijk nog steeds als het hoogste in de naturalistische kunst geldt. Van de prachtige sculpturen en aardewerk zijn vele voorbeelden te zien in het museum.
De bloei van Athene komt tot een eind door de oorlog met Sparta, de zogenaamde Peloponnesische Oorlog (431-404 v.Chr.), die uiteindelijk door de Spartanen werd gewonnen. Er volgt een periode waarin verschillende steden om de macht vechten. In het noorden werd Macedonië steeds machtiger. De Griekse steden onderschatten de dreiging van de Macedonische legers en werden één voor één onderworpen. In 334 v. Chr. begon de Macedonische koning Alexander de Grote zijn legendarische veldtocht naar het oosten. Hij veroverde Klein-Azië, Phoenicië, Egypte en Mesopotamië, waar hij in 323 v. Chr. in Babylon stierf.

Hellenistische periode (ca. 323-30 v. Chr.)
Alexander stond een 'versmeltings' politiek voor in zijn wereldrijk. Op cultureel gebied had dit verstrekkende gevolgen voor Griekenland: invloeden over en weer tussen Griekenland en het oosten. Men spreekt van de Hellenistische periode.
Na diverse oorlogen wordt het rijk van Alexander in drie grote gebieden gedeeld: Macedonië/Griekenland, Syrië en Egypte. Toen de Romeinen in de eerste helft van de tweede eeuw voor Chr. Griekenland veroverden, liep ook deze laatste bloeiperiode ten einde. De culturele invloed van de Grieken in de Romeinse wereld was echter zo groot, dat de Romeinse dichter Horatius zich afvroeg wie nu eigenlijk de overwonnenen waren.


Slideshow image


Since your web browser does not support JavaScript, here is a non-JavaScript version of the image slideshow:

slideshow image

Marmeren vrouwenfiguur gevonden op de Cycladen, eilanden in het midden van de Aegeïsche Zee.
Klik voor meer details


slideshow image

Portretkopje. Drukt de relatie uit van Ptolemaeus I met de stamvader van het huis, Dionysus.
Klik voor meer details


slideshow image

Terracotta doos met paarden op het deksel. Paarden waren een statussymbool voor de Grieken.
Klik voor meer details


slideshow image

Een krater, in rood-figurige techniek uitgevoerd. Afgebeeld is de god van de wijn Dionysus op een muildier.
Klik voor meer details


slideshow image

Bronzen spiegel: Aphrodite in het 'handvat', naast haar twee eroten, op de rand zitten duiven.
Klik voor meer details


slideshow image

Op deze Attische grafsteen zit een overleden vrouw die haar handen naar haar kind uitsteekt.
Klik voor meer details




De Grieken verdunden de wijn met water in de verhouding 1:3. De wijn werd in een groot mengvat aangelengd. Deze krater is in de rood-figurige techniek uitgevoerd, d.w.z. de oranjerode figuren zijn in de zwarte achtergrond uitgespaard. Deze techniek is omstreeks 530 v. Chr. in Athene uitgevonden. Hier rijdt de god van de wijn Dionysus op een muildier. Hij wordt gevolgd door een panter, het dier dat bij hem hoort.


Aphrodite is de godin van het opbloeien van de natuur in de lente, de zinnelijke liefde en de schoonheid. De oorsprong van haar verering zou in het Nabije Oosten gezocht moeten worden. Via Cyprus bereikte zij Griekenland. Het is duidelijk dat de liefdesgodin is voorgesteld in het 'handvat' van deze bronzen spiegel: naast haar zweven twee gevleugelde jongetjes (eroten) en op de rand staan duiven.


Uit talrijke grafstenen waarop een overleden vrouw en haar baby zijn afgebeeld, blijkt dat overlijden in het kraambed in Griekenland vaak voorkwam. Op deze Attische grafsteen stelt de zittende vrouw de overledene voor die haar handen ophoudt om haar kind van een voedster, slavin of familielid over te nemen. Het lijkt alsof zij het niet wil afgeven. Misschien wordt hiermee gesuggereerd dat de moeder voorgoed afscheid van haar kind neemt.