Zuid-Italië en Sicilië
In de periode van omstreeks 750 tot 550 voor Christus stichtten Griekse steden kolonies aan de kusten van Zuid-Italië en Sicilië. Waarschijnlijk werden ze hiertoe gedwongen door overbevolking en schaarste aan landbouwgebieden. Het gebied dat door de Grieken in Zuid-Italië en op Sicilië bewoond werd, noemden de Romeinen Magna Graecia (Groot Griekenland).
De kolonisten namen hun eigen Griekse taal en godsdienst mee. Ook brachten ze de olijf en wijnstok naar Italië. De kolonies waren in de eerste plaats agrarische gemeenschappen die veel graan produceerden. Dit werd naar Griekenland geëxporteerd en verhandeld tegen bijvoorbeeld wijn en aardewerk. In de 6de en 5de eeuw kwam Magna Graecia tot grote bloei, maar in de loop van de 3de eeuw v. Chr. werden de meeste steden door de Romeinen ingenomen.
Zuid-Italisch aardewerk
Aanvankelijk importeerden de Griekse kolonisten in Zuid-Italië en op Sicilië rood-figurig aardewerk uit Athene. Na 440 voor Christus gingen ze dit soort aardewerk zelf produceren. De stad Tarente was een van de belangrijkste centra van aardewerkproductie in Zuid-Italië.
Zeer uitzonderlijk is de weergave van de tempel op het fragment van een groot wijnvat (krater). Achter de geopende deur is het kolossale beeld van Apollo te zien. De god is aan zijn boog te herkennen. Rechts van de tempel zien we de god nog een keer afgebeeld; hij zit en bespeelt een lier. Zijn naam is boven hem geschreven.
Op vazen uit Zuid-Italië en Sicilië worden vaak verhalen uit de Griekse mythologie afgebeeld. Ook zijn er veel afbeeldingen van theateropvoeringen van Griekse tragedies en komedies. Voorstellingen die met Dionysos te maken hebben, komen ook veel voor. Hij is immers niet alleen de god van de wijn, maar ook van het drama. Tenslotte zijn scènes uit het dagelijks leven heel gewoon.
Grafmonumenten
Op de begraafplaats van Tarente zijn in de periode tussen 330 en 250 v. Chr. grafmonumenten neergezet die de vorm hadden van tempeltjes (naiskoi) met twee zuilen, een fries en een driehoekig gevelveld (timpaan). Het beeldhouwwerk op het fries en in het timpaan werd met een fijne laag stuc bedekt en in vele kleuren beschilderd. Vaak worden hier mythologische of historische gevechtsscènes afgebeeld, maar voorstellingen uit het dagelijks leven, zoals jacht, sport of drinkgelagen en Dionysische optochten komen ook vaak voor.
Pronkvazen
In de vroeg-Hellenistische periode (ca. 330-250 v. Chr.) werd in Canosa, in de hak van de laars (Apulië) een opvallend aardewerk met plastische toevoegingen van terracotta en bonte beschilderingen vervaardigd. Ze waren niet bestemd voor dagelijks gebruik, maar werden voor het graf gemaakt. De vazen laten de vermenging van de inheemse Italische culturen met de Griekse zien: soms is de vorm overgenomen van de plaatselijke, Daunische bevolking terwijl de versiering Grieks van stijl is.
Centuripe ligt op oostelijk Sicilië, in de buurt van de vulkaan de Etna. Aanvankelijk woonden hier de Siculi, de oorspronkelijke bewoners van Sicilië. Vanaf het midden van de 7de eeuw voor Christus ontstaan de eerste contacten met de Grieken. Langzaam maar zeker wordt Centuripe 'gehelleniseerd'. In de 3de eeuw v. Chr. maakt het een bloeiperiode door. Uit deze tijd stamt een uitzonderlijk soort aardewerk dat opvalt door de vorm en decoratie. Karakteristiek is de combinatie van vergulde reliëfversiering en de veelkleurige beschildering. Men neemt aan dat ook de Centuripe-vazen niet voor dagelijks gebruik bestemd waren. De veelkleurige voorstellingen die op de voorzijde van de vazen geschilderd zijn, hebben altijd betrekking op het huwelijk. In dergelijke vazen zou de vader van de bruid cadeautjes aan zijn dochter gestuurd hebben. Ze werden door de bruid tijdens haar leven als kostbare herinnering aan haar bruiloft gekoesterd en na haar overlijden in haar graf bijgezet.